Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
29 mei 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over meermalig gepleegd schuldwitwassen (art. 420quater Sr). De advocaat van verdachte diende een schriftuur in, maar de Advocaat-Generaal concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat verdachte onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 29 mei 2018, waarbij de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers aanwezig waren. De uitspraak bevestigt de toepassing van art. 80a RO in situaties waarin cassatieberoepen niet ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang of onvoldoende gronden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang en onvoldoende gronden.