ECLI:NL:HR:2018:859

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2018
Publicatiedatum
7 juni 2018
Zaaknummer
17/02231
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt arrest over declaratie Belgisch advocatenkantoor onder Belgisch recht

In deze zaak stond een geschil centraal over de declaratie van een Belgisch advocatenkantoor, waarbij Belgisch recht van toepassing was. HRC, gevestigd te Terneuzen, stelde cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 februari 2017. De verweerster, gevestigd in België, was niet verschenen en verstek was verleend.

De Hoge Raad verwees naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het arrest van het gerechtshof voor het geding in feitelijke instanties. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten.

De Hoge Raad verwerpt het beroep van HRC en veroordeelt HRC in de kosten van het cassatiegeding, waarbij de kosten aan de zijde van de verweerster nihil werden begroot. Het arrest werd gewezen door de raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van HRC en bevestigt het arrest van het gerechtshof.

Uitspraak

8 juni 2018
Eerste Kamer
17/02231
LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
HRC N.V.,
gevestigd te Terneuzen,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden,
t e g e n
[verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats], België,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als HRC en [verweerster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/12/80811/HA ZA 11-396 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 september 2015;
b. het arrest in de zaak 200.179.507/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 februari 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft HRC beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend (HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1278, NJ 2017/283).
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt HRC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
8 juni 2018.