Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 8 februari 2018, nr. SGR 17/6691 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 21 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een verzetprocedure. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk is. Hierbij is overwogen dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet inhoudelijk heeft behandeld.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018. Hiermee is het cassatieberoep definitief afgewezen wegens ontvankelijkheidsgebrek.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of niet-toereikende klachten.