Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering en kwalificatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
12 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een economische strafzaak waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een vordering ex artikel 21 juncto Pro 24a Wet op de economische delicten (WED) tijdens een controle van een vissersboot op 8 november 2011 te Vlissingen. De vordering hield in dat verdachte de uitgevierde vistuigen moest opdreggen voor nader onderzoek op verboden netvoorzieningen.
Het Hof Amsterdam verklaarde bewezen dat verdachte en een mededader bewust de vistuigen hadden gevierd om controle te vermijden en niet voldeden aan de vordering, waarmee zij opzettelijk handelden. De verdediging voerde aan dat het ontbreken van een extra lijn aan boord normaal was en dat verdachte alles had gedaan om te voldoen, maar niet kon.
De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring niet duidelijk maakt dat het opzettelijk niet voldoen aan de vordering is bewezen, omdat het bewust vieren van de netten vóór de vordering niet automatisch opzet op het niet voldoen aan de latere vordering impliceert. Hierdoor is de motivering van het Hof onvoldoende en wordt het arrest gedeeltelijk vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe beoordeling.
De overige klachten van het cassatieberoep worden verworpen. De Hoge Raad vernietigt het arrest alleen voor zover het betrekking heeft op het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Hof Amsterdam.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof Amsterdam wegens onvoldoende motivering van opzet en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.