Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
12 juni 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof Amsterdam veroordeeld voor poging tot doodslag nadat zij tijdens een conflict in een woning meerdere keren met een mes in het bovenlichaam van het slachtoffer had gestoken. De verdachte voerde in hoger beroep een beroep op noodweer en noodweerexces aan, stellende dat zij handelde uit noodzakelijke verdediging of uit een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding.
Het Hof stelde vast dat de verdachte het slachtoffer met een mes had gestoken nadat het slachtoffer haar met één hand bij de keel had gegrepen. Het Hof oordeelde dat deze greep niet wederrechtelijk was omdat het slachtoffer zich verdedigde tegen de dreigende aanval van de verdachte. Ook vond het Hof dat de steekwonden niet in redelijke verhouding stonden tot het enkele vastgrijpen van de keel, waardoor het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen.
De Hoge Raad overwoog dat het Hof voldoende wettige bewijsmiddelen had gebruikt om de feiten vast te stellen, waaronder de verklaring van de verdachte zelf. De klacht dat het Hof niet had aangegeven aan welke bewijsmiddelen het de omstandigheid ontleende dat het slachtoffer met één hand greep, werd verworpen. Ook was de vaststelling dat de verdachte op intimiderende wijze met een mes op het slachtoffer afliep niet tegenstrijdig met de bewijsvoering.
De Hoge Raad concludeerde dat het Hof het beroep op noodweer en noodweerexces terecht had verworpen en verwierp het cassatieberoep. De zaak werd terugverwezen voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen en de veroordeling voor poging tot doodslag blijft in stand.