Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 21 november 2017, nr. SGR 17/03541 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 3 augustus 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende een verzetprocedure. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie inhoudelijk beoordeeld op ontvankelijkheid.
De Hoge Raad concludeert dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Het arrest is op 15 juni 2018 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of onvoldoende gronden.