ECLI:NL:HR:2018:94

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2018
Publicatiedatum
25 januari 2018
Zaaknummer
17/04365
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergoeding kosten bezwaarfase na telefonisch horen bij parkeerbelasting

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting vanwege het invoeren van een verkeerd kenteken. De heffingsambtenaar nodigde belanghebbende uit voor een telefonisch horen, waarbij reeds werd medegedeeld dat het bezwaar gegrond werd verklaard en de aanslag werd vernietigd. Het telefoongesprek betrof alleen de vergoeding van kosten van de bezwaarfase.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat belanghebbende recht had op vergoeding van kosten van bezwaar, maar niet voor het telefonisch horen, omdat niet was gesteld of aannemelijk gemaakt dat dit horen gelijkgesteld kon worden aan een hoorzitting zoals bedoeld in de Awb.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde dat een telefonisch horen na mededeling van gegrondverklaring van het bezwaar niet gelijkgesteld kan worden aan een verschijnen ter hoorzitting in de zin van artikel 7:2, lid 1, Awb. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het telefonisch horen niet gelijkgesteld kan worden aan een hoorzitting voor vergoeding van kosten bezwaarfase.

Uitspraak

26 januari 2018
Nr. 17/04365
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 5 september 2017, nr. 16/00535, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. ALK 15/5851) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Hoorn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de klacht

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting, opgelegd nadat belanghebbende bij het betalen van die belasting een verkeerd kenteken in de parkeerautomaat had ingevoerd.
2.1.2.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij brief uitgenodigd voor een “telefonische hoorzitting” teneinde te worden gehoord op het door hem ingediende bezwaarschrift. Bij die gelegenheid heeft de heffingsambtenaar reeds medegedeeld dat aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen en de naheffingsaanslag wordt vernietigd, en het telefoongesprek daarom alleen nog betrekking kon hebben op vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Het telefoongesprek heeft vervolgens plaatsgevonden tussen de heffingsambtenaar en de gemachtigde van belanghebbende.
2.1.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard, de naheffingsaanslag vernietigd maar geen kostenvergoeding toegekend.
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van kosten van de bezwaarfase.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van bezwaar. Het heeft echter geen punten toegekend voor het onder 2.1.2 bedoelde telefoongesprek. Daartoe heeft het Hof overwogen dat niet is gesteld of aannemelijk geworden dat het telefonisch horen op een zodanige wijze heeft plaatsgevonden dat het op één lijn moet worden gesteld met een verschijnen ter hoorzitting.
2.3.
De tegen dat oordeel gerichte klacht faalt. In de hiervoor onder 2.1.2 genoemde omstandigheden ligt besloten dat de “telefonische hoorzitting” slechts betrekking had op de vergoeding van kosten van de bezwaarfase en niet op de beslissing op het bezwaar. Daarvan uitgaande geeft ’s Hofs oordeel dat dit telefoongesprek niet op één lijn kan worden gesteld met het verschijnen ter hoorzitting naar aanleiding van een ingediend bezwaar als bedoeld in artikel 7:2, lid 1, Awb, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.