Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
19 juni 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van poging tot doodslag. De feiten betreffen een incident waarbij de aangever, na een etentje met de echtgenote van verdachte, met een slagersmes werd aangevallen en verwond aan hoofd, gezicht en been.
Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2017. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld op ontvankelijkheid en inhoud.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verdachte onvoldoende belang bij het cassatieberoep heeft of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en het advies van de Procureur-Generaal werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 19 juni 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard.