ECLI:NL:HR:2018:96

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2018
Publicatiedatum
25 januari 2018
Zaaknummer
17/03083
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 lid 3 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep in cassatie inzake dwangsom bij WOZ-beschikking en OZB-aanslag

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking en de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) van de gemeente Lansingerland over het jaar 2015. Na het uitblijven van een tijdige uitspraak op bezwaar stelde belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke. De heffingsambtenaar verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.

Belanghebbende stelde dat hem een dwangsom toekwam omdat de beslissing onzorgvuldig was genomen en niet als een uitspraak op bezwaar kon worden beschouwd. Het hof liet deze stelling onbehandeld, wat in cassatie terecht werd bekritiseerd. De Hoge Raad oordeelde echter dat de heffingsambtenaar binnen de wettelijke termijn alsnog uitspraken op bezwaar had gedaan, zodat geen dwangsom verschuldigd was.

De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en wees erop dat ook een onzorgvuldig genomen uitspraak op bezwaar als een beschikking geldt in de zin van de Awb. Verder werd geen aanleiding gezien tot proceskostenveroordeling. Het arrest werd uitgesproken op 26 januari 2018.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de dwangsom wordt niet toegekend.

Uitspraak

26 januari 2018
nr. 17/03083
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 17 mei 2017, nr. BK-16/00493, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 16/1275) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ-beschikking) en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) van de gemeente Lansingerland voor het jaar 2015 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 26 maart 2015 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking en de aanslag OZB.
2.1.2.
Bij brief van 7 januari 2016 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar.
2.1.3.
Met dagtekening 18 januari 2016 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren, naar later bleek ten onrechte, niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
2.1.4.
Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat hij recht heeft op toekenning van een dwangsom omdat de in 2.1.3 genoemde beslissing zeer onzorgvuldig is genomen en daarom niet kan worden opgevat als een uitspraak op bezwaar. Het Hof heeft die stelling niet behandeld. Daartegen richt zich de eerste klacht.
2.2.
De klacht wordt terecht voorgesteld omdat het Hof deze stelling niet onbesproken had mogen laten. De klacht kan echter niet tot cassatie leiden. De heffingsambtenaar heeft binnen de in artikel 4:17, lid 3, van de Awb genoemde termijn van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling uitspraken op bezwaar gedaan zodat hij geen dwangsom verschuldigd is geworden.
In het midden kan blijven of de heffingsambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat ook een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar moet worden aangemerkt als een beschikking in de zin van laatstgenoemde wetsbepaling.
2.3.
De tweede klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.