ECLI:NL:HR:2018:983

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2018
Publicatiedatum
22 juni 2018
Zaaknummer
16/05596
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 311.1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake medeplegen van gekwalificeerde diefstal. De verdediging klaagde dat het hof niet adequaat had gereageerd op het verweer omtrent overschrijding van de redelijke termijn in het hoger beroep.

De Hoge Raad overwoog dat het hof in zijn strafmotivering wel degelijk rekening had gehouden met het tijdsverloop en dit als reden had genoemd om de straf te matigen. Dit was ook in lijn met het pleidooi van de verdediging. De klacht dat het hof niet op dit verweer had gereageerd, leidt daarom niet tot een cassatiegrond.

De Advocaat-Generaal had geconcludeerd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee het arrest van het hof zonder inhoudelijke beoordeling van de klacht over de redelijke termijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en omdat het hof de strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn reeds had verwerkt.

Uitspraak

10 juli 2018
Strafkamer
nr. S 16/05596
AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 3 november 2016, nummer 21/003986-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 juli 2018.