Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
26 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor feitelijke leiding geven aan het doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting, medeplegen van bedrieglijke bankbreuk en valsheid in geschrift.
Verdachte voerde onder meer aan dat bewijsuitsluiting moest plaatsvinden vanwege schending van het nemo-teneturbeginsel, omdat in het kader van een faillissementsprocedure ondervraging had plaatsgevonden over de vindplaats van administratie. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 29 Sv Pro niet van toepassing is op faillissementsprocedures, maar het nemo-teneturbeginsel wel verhindert dat wilsafhankelijke verklaringen uit die procedure in strafvervolging worden gebruikt.
De Hoge Raad concludeerde dat de middelen geen cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de rechtsvragen niet in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling waren. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte voor feitelijke leiding bij belastingfraude en bedrieglijke bankbreuk.