Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor het mishandelen van zijn hond, een Amerikaanse Stafford genaamd Kaya. Het hof had vastgesteld dat de verdachte zonder redelijk doel en met overschrijding van het toelaatbare meerdere malen de hond had geslagen, geschopt en met voorwerpen had bekogeld.
Het geschilpunt in cassatie betrof de vraag of de hond als dier, met erkende intrinsieke waarde op grond van art. 1.3 Wet dieren, kon worden aangemerkt als een voorwerp dat vatbaar is voor verbeurdverklaring ex art. 33a Sr. De verdachte stelde dat dit niet mogelijk was vanwege de status van de hond als levend wezen met intrinsieke waarde.
De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde het oordeel van het hof dat de hond als voorwerp kan worden beschouwd in de zin van verbeurdverklaring. Het arrest benadrukt dat de wettelijke regeling inzake verbeurdverklaring zich niet uitsluitend richt op levenloze zaken, maar ook dieren kan omvatten indien zij betrekking hebben op het bewezen verklaarde feit.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en handhaafde het arrest van het hof waarin de hond Kaya werd verbeurd verklaard. Dit arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel en raadsheren van den Brink en Claassens op 26 juni 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de verbeurdverklaring van de mishandelde hond als voorwerp en verwerpt het cassatieberoep.