De zaak betreft een cassatieberoep van een woningcorporatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de rioolheffing van de gemeente Noordenveld voor het jaar 2013. De corporatie betwistte de opname van bepaalde kostenposten, waaronder onderhoudskosten van schouwsloten en een rentecomponent van de btw-compensatie, in de lastenraming die ten grondslag ligt aan de rioolheffing.
Het Hof oordeelde dat de kosten van onderhoud van de schouwsloten rechtmatig via de rioolheffing kunnen worden verhaald omdat deze direct verband houden met de gemeentelijke zorgplicht voor hemelwater. Tevens bevestigde het Hof dat de gemeente de rentecomponent over de niet afgeschreven btw mag meenemen in de kapitaallasten, conform artikel 228a, lid 3, Gemeentewet en de wetsgeschiedenis van het BTW-compensatiefonds.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van het Hof over het verband van de schouwslotkosten met de rioolheffing niet onbegrijpelijk is en dat de interpretatie van artikel 228a, lid 3, Gemeentewet juist is. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt de appellant niet in de proceskosten.