Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
25 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een mishandeling op straat in Amsterdam waarbij de verdachte een ander tegen het hoofd sloeg, strafbaar gesteld onder art. 300 lid 1 Sr Pro. Het hof had het bewijs mede gebaseerd op een verklaring van de aangeefster aan de politie, terwijl de verdachte niet in de gelegenheid was gesteld haar te ondervragen. Tevens speelde de denaturering van een verklaring van een verbalisant een rol.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 september 2017. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Uiteindelijk werd het beroep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier tijdens een openbare terechtzitting op 25 juni 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.