In deze zaak stond centraal of de buitenlandse moedervennootschap, Bank Indonesia, een garantie had afgegeven voor de nakoming van verplichtingen van haar Nederlandse dochterbank, die later failliet ging. De curatoren van het faillissement van de Nederlandse bank stelden dat deze garantie bestond en vorderden nakoming.
De procedure begon bij de rechtbank Amsterdam met meerdere vonnissen en werd voortgezet bij het gerechtshof Amsterdam, dat op 14 november 2017 arrest wees. De curatoren stelden beroep in cassatie in tegen dit arrest. De Hoge Raad verwees naar de eerdere vonnissen en het arrest van het hof en oordeelde dat de klachten van de curatoren niet leiden tot cassatie, mede omdat deze geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde de curatoren in de kosten van het geding. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd, waarbij onder meer werd geoordeeld over het toepasselijke recht, de immuniteit van executie en de vraag of de buitenlandse centrale bank een garantie had afgegeven. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep werd gevolgd.