In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbenden tegen eerdere uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland beoordeeld. De zaak betrof verzet tegen een uitspraak van 4 april 2018, waarbij meerdere nummers aan de orde waren. De Hoge Raad heeft overwogen dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Hoge Raad niet inhoudelijk op de klachten is ingegaan, maar het beroep afwijst omdat het niet aan de formele vereisten voldoet.
Het arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2019. De beslissing bevestigt het belang van ontvankelijkheidseisen in cassatieprocedures en de toepassing van artikel 80a RO om niet-ontvankelijke beroepen snel af te wijzen.