Uitspraak
gevestigd te Schiedam,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Betekening van exploten
4.Beslissing
28 juni 2019.
Hoge Raad
In deze prejudiciële procedure stelde de kantonrechter Rotterdam vragen aan de Hoge Raad over de geldigheid van betekening van een exploot aan een briefadres zoals opgenomen in de Basisregistratie Personen (BRP). De zaak betrof een dagvaarding aan een gedaagde zonder bekende woon- of verblijfplaats, maar met een geregistreerd briefadres.
De Hoge Raad onderzocht of het briefadres kan worden aangemerkt als een gekozen woonplaats in de zin van art. 1:15 BW Pro en of exploten daarom aan dat briefadres moeten worden betekend in plaats van via openbare betekening op grond van art. 54 Rv Pro. De Hoge Raad concludeerde dat het briefadres, gezien de wettelijke verplichtingen en de praktische werking ervan, een gekozen woonplaats is en dat betekening aan het briefadres een betere waarborg biedt dat de betrokkene het exploot ontvangt.
De Hoge Raad gaf aan dat openbare betekening alleen aan de orde is als het briefadres niet meer juist is of de stukken de betrokkene niet bereiken. Tevens is de rechter van de plaats van het briefadres bevoegd volgens art. 99 lid 1 Rv Pro. De beslissing heeft geen terugwerkende kracht voor exploten die vóór 1 augustus 2019 openbaar zijn betekend.
De Hoge Raad beantwoordde de prejudiciële vragen bevestigend en verduidelijkte de rechtspositie rond briefadressen en betekening, wat van belang is voor de praktijk van deurwaarders en de rechtszekerheid van partijen.
Uitkomst: De Hoge Raad beslist dat een exploot aan een in de BRP geregistreerd briefadres moet worden betekend als gekozen woonplaats, tenzij het briefadres niet meer juist is.