Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
2 juli 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens het bezit van ruim 300 gram hasjiesj en het witwassen van een geldbedrag van €4.224,65. De verdachte stelde dat het geld spaargeld was bedoeld voor het aflossen van schulden en betwistte het directe verband tussen het geld en enig misdrijf.
In cassatie stelde de verdachte een middel voor, maar de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is, omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest van het gerechtshof blijft daarmee in stand. De Hoge Raad bevestigt hiermee de eerdere beoordeling en wijst het beroep van verdachte af.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.