In deze zaak heeft belanghebbende cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2012, 2013 en 2014, inclusief beschikkingen over belastingrente.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 25 januari 2019.