Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure heeft het Openbaar Ministerie beroep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil betreft de vraag of een mondelinge beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging kan worden aangemerkt als een einduitspraak in de zin van artikel 138 van Pro het Wetboek van Strafvordering, waartegen hoger beroep openstaat.
Het hof had geoordeeld dat de beslissing van de rechtbank geen einduitspraak was en verklaarde het hoger beroep van het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze opvatting onjuist is en verwijst naar eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2016:1) waarin is vastgesteld dat een dergelijke beslissing wel degelijk een einduitspraak vormt. Hoewel de rechtbank de beslissing mondeling heeft gegeven en deze is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting, voldoet dit niet aan de vereisten van schriftelijkheid zoals bedoeld in de artikelen 358 en 359 Sv, maar dit doet niet af aan het karakter van de beslissing als einduitspraak.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot vernietiging en terugwijzing wordt gevolgd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.