Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beslissing
2 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor deelname aan twee criminele organisaties die betrokken waren bij grootschalige fraude met zorgkantoren en zorgverzekeraars, waaronder witwassen en valsheid in geschrifte.
De verdachte stelde meerdere middelen van cassatie voor, onder meer over het bewijs en het oogmerk van de verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat de eerste drie middelen niet tot cassatie konden leiden omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het vierde middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase vanwege het te laat aanleveren van stukken door het hof. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot daarom de opgelegde gevangenisstraf te verminderen van tien maanden naar negen maanden en twee weken.
De rest van het beroep werd verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef, maar met een aangepaste strafduur. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 2 juli 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van tien maanden naar negen maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.