Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het zesde middel
4.Beslissing
2 juli 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens deelname aan twee criminele organisaties die zich bezighielden met het vervalsen van documenten, het oplichten van zorgkantoren en zorgverzekeraars, en het witwassen van aanzienlijke bedragen via het PGB-systeem en zorg in natura. Tevens werd hij veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift.
In cassatie werden meerdere middelen aangevoerd, waaronder bewijsklachten over de deelname aan de criminele organisaties, het oogmerk van de organisatie, en de rechtmatigheid van het onderzoek op computers. De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 34 maanden naar 32 maanden. Het overige cassatieberoep werd verworpen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het gerechtshof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en handhaafde het verder. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 2 juli 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 34 naar 32 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.