ECLI:NL:HR:2019:1090

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2019
Publicatiedatum
4 juli 2019
Zaaknummer
18/02338
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

Belanghebbende, Stichting [X], had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland inzake kosten van vervolging opgelegd door de Staatssecretaris van Financiën. De Hoge Raad stelde belanghebbende bij brief van 19 oktober 2018 in kennis van de verschuldigdheid van griffierecht en gaf een termijn van vier weken voor betaling.

De griffierechtbetaling bleef uit, ondanks dat de brief volgens Track&Trace was ontvangen. Bij brief van 21 november 2018 werd belanghebbende verzocht te verklaren waarom niet was betaald. De door belanghebbende aangevoerde redenen in haar brief van 19 december 2018 werden niet als voldoende geacht om het verzuim te rechtvaardigen.

Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 5 juli 2019 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer18/02338
Datum5 juli 2019
ARREST
in de zaak van
STICHTING [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 13 april 2018, nr. HAA 17/2552 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van vervolging.

1.Geding in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 19 oktober 2018 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 21 november 2018 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 19 december 2018 en in haar eerdere brieven waarnaar zij in die brief verwijst, aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2019.