Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: verzoekster).
1.De procedure
2.Beoordeling van het wrakingsverzoek
3.Beslissing
11 januari 2019.
Hoge Raad
Verzoekster heeft bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in een belastingzaak die door de Derde Kamer werd behandeld. Zij verzocht de wraking van twee raadsheren die eerder in vergelijkbare WOZ-zaken negatief voor haar hadden beslist. Verzoekster stelde dat hierdoor een schijn van vooringenomenheid bestond en dat deze raadsheren niet onpartijdig zouden zijn.
De Hoge Raad overwoog dat rechters uit hoofde van hun aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid opleveren. De enkele omstandigheid dat de betrokken raadsheren eerder in soortgelijke zaken negatief voor verzoekster hadden beslist, is onvoldoende om een vrees voor vooringenomenheid te rechtvaardigen.
Ook het verzoek om de zaak terug te verwijzen naar het hof vanwege een nieuw feitelijk gegeven (een formeel besluit van de gemeente) werd niet toegewezen in deze wrakingsprocedure. De Hoge Raad concludeerde dat het wrakingsverzoek niet gegrond is en wees het af.
De beslissing werd genomen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, en het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2019.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van twee raadsheren wordt afgewezen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid.