Uitspraak
1.Procesgang in cassatie
2.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag en andere feiten. De Hoge Raad vernietigde eerder het vonnis wegens overschrijding van de redelijke termijn en verminderde de straf tot 17 jaar en 10 maanden.
Later wees de Procureur-Generaal de Hoge Raad erop dat het hof abusievelijk een straf had opgelegd die het wettelijk maximum van 13 jaar en 4 maanden overschreed. De Hoge Raad herstelt deze omissie door het arrest zodanig te lezen dat de straf wordt verminderd tot 13 jaar en 2 maanden, inclusief een korting wegens termijnoverschrijding.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof ten onrechte niet ambtshalve heeft geoordeeld over het strafmaximum en dat de strafoplegging daarom niet in stand kan blijven. Het arrest van 26 april 2016 wordt dienovereenkomstig aangepast. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 13 jaar en 2 maanden wegens overschrijding strafmaximum en redelijke termijn.