Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 november 2017. Verdachte werd veroordeeld voor het valselijk opmaken van een werkgeversverklaring, in strijd met artikel 225 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
In cassatie stelde verdachte een middel voor, onder meer gericht op bewijsklachten en het verweer dat A wel werkzaam was voor het administratiekantoor van verdachte. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat het middel geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept. Het beroep wordt derhalve verworpen.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren van de Griend en Borgers, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 9 juli 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor valselijk opmaken van een werkgeversverklaring blijft in stand.