Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een strafzaak over wederspannigheid, artikel 180 Sr Pro. De verdachte stelde dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat hij was aangehouden op verdenking van het overtreden van artikel 311.5 juncto artikel 310 Sr Pro, en dat niet kon worden vastgesteld dat de betrokken verbalisant in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening handelde.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk is omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 9 juli 2019, waarbij vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers het arrest wezen. De conclusie van de plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens was eveneens tot verwerping van het beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep wegens het ontbreken van relevante rechtsvragen bij de bewijsvoering.