Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
5 februari 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd op 15 maart 2015 een strafbeschikking opgelegd wegens opzetheling met een betalingsverplichting van €250,-. Tegen deze strafbeschikking stelde hij op 16 maart 2015 verzet in. De politierechter verklaarde het verzet niet-ontvankelijk, en het hof bevestigde dit oordeel met de overweging dat de verdachte door betaling van de strafbeschikking na het instellen van verzet impliciet afstand had gedaan van zijn recht op verzet.
De Hoge Raad onderzocht de toepasselijkheid van art. 257e Sv, waarin is bepaald dat verzet niet mogelijk is indien vrijwillig aan de strafbeschikking is voldaan of schriftelijk afstand is gedaan van het recht op verzet. De Hoge Raad oordeelde dat betaling na het instellen van verzet niet automatisch leidt tot verval van het verzet, omdat intrekking van verzet alleen mogelijk is tot aanvang van de behandeling en niet door betaling.
Hierdoor is het oordeel van het hof onjuist en wordt het arrest vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Haag voor hernieuwde berechting en afdoening van het hoger beroep op het bestaande dossier.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting omdat betaling na verzet het verzet niet automatisch doet vervallen.