Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een hennepkwekerij. De verdachte werd medepleger geacht van de hennepkwekerijactiviteiten. Zij voerde in cassatie aan dat zij daartoe was gedwongen door haar echtgenoot en beriep zich op psychische overmacht.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden. Er was geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De verwerping van het beroep op psychische overmacht werd bevestigd omdat de verdachte niet aannemelijk had gemaakt dat zij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden aan de dwang van haar medeverdachte.
Het arrest van het hof werd bekrachtigd, waarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte als medepleger van de hennepkwekerij werd bevestigd. De Hoge Raad benadrukte het belang van een zorgvuldige bewijsvoering en de toepassing van art. 81 RO Pro in cassatieprocedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen van hennepkwekerij blijft in stand.