Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak tegen de verdachte geboren in 1993. Het beroep is ingesteld door de verdachte en behandeld door de Hoge Raad op 9 juli 2019.
De kern van het geschil betreft een voorwaardelijk getuigenverzoek waarop het hof niet uitdrukkelijk heeft beslist. Volgens de Hoge Raad is de aan het verzoek gestelde voorwaarde niet vervuld, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek niet noodzakelijk is. Hierdoor kan het middel dat het cassatieberoep ondersteunt niet tot cassatie leiden.
De Hoge Raad oordeelt dat het middel geen aanleiding geeft tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, en verwerpt het beroep. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de voorwaarde van het voorwaardelijk getuigenverzoek niet is vervuld en geen uitdrukkelijke beslissing vereist is.