Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, zoals bedoeld in artikel 26 van Pro de Wet Wapens en Munitie (WWM). Het Gerechtshof Den Haag had de verdachte veroordeeld en het arrest van het hof werd aangevochten in cassatie door de verdachte. De kern van het cassatiemiddel betrof bewijsklachten, met name over de denaturering van een getuigenverklaring, innerlijke tegenstrijdigheden en de waardering van de tweede verklaring van de getuige door het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het hof.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van de Hoge Raad en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 9 juli 2019. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.