Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats], Groot-Brittannië,
wonende te [woonplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 juli 2019.
Hoge Raad
In deze zaak staat een geschil centraal tussen een vrouw en de erfgenamen van haar overleden partner over de uitleg van een samenlevingsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende onderhoudsplicht.
De procedure begon bij de rechtbank Limburg met vonnissen in 2014 en 2015, waarna het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in 2017 en 2018 arresten heeft gewezen. Tegen deze arresten hebben de eisers cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwijst naar artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering en oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Daarom wordt het cassatieberoep verworpen.
De Hoge Raad veroordeelt de eisers tevens in de kosten van het cassatiegeding, vastgesteld op een totaal van € 2.600,34. Het arrest is gewezen door de vicepresident en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eisers worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.