ECLI:NL:HR:2019:1225

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juli 2019
Publicatiedatum
17 juli 2019
Zaaknummer
16/00410
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EEG) nr. 2658/87Verordening (EU) nr. 927/2012
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over tariefindeling lcd-beeldschermen en verwijst terug

De zaak betreft de tariefindeling van grote lcd-beeldschermen onder de gecombineerde nomenclatuur, waarbij het Gerechtshof Amsterdam de beeldschermen had ingedeeld als 'andere monitoren' (postonderverdeling 8528 59 40) omdat zij niet ontworpen zouden zijn voor werk op korte afstand en geen interactie vertonen met de gebruiker van de automatische gegevensverwerkende machine.

De Hoge Raad heeft in cassatie het arrest van het Hof vernietigd naar aanleiding van een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de indeling moet worden bepaald op basis van alle objectieve kenmerken en eigenschappen van de beeldschermen, waarbij de mate van multifunctionaliteit en prestatieniveau centraal staan, en dat het niet relevant is of de gebruiker van het scherm dezelfde is als degene die gegevens invoert of bewerkt.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het ontbreken van interactie tussen gebruikers en dat geschiktheid voor werk op korte afstand geen absoluut vereiste is. Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling in lijn met het arrest van het Hof van Justitie. Tevens wordt de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor herbeoordeling in lijn met het arrest van het Hof van Justitie EU.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer16/00410bis
Datum19 juli 2019
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 15 december 2015, nrs. 14/00707 tot en met 14/00711, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag.

1.De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 20 april 2018, nr. 16/00410, ECLI:NL:HR:2018:630, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag.
Bij arrest van 11 april 2019, X B.V., C-288/18, ECLI:EU:C:2019:319, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:
“De gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd door verordening (EU) nr. 927/2012 van de Commissie van 9 oktober 2012, moet aldus worden uitgelegd dat, om te bepalen of platte lcd‑beeldschermen die zijn ontworpen en worden vervaardigd voor de weergave van zowel uit een automatische gegevensverwerkende machine afkomstige gegevens als van uit andere bronnen afkomstige samengestelde videosignalen, in postonderverdeling 8528 51 00 van de gecombineerde nomenclatuur dan wel in postonderverdeling 8528 59 40 van deze nomenclatuur moeten worden ingedeeld, nagegaan moet worden, uitgaande van al hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zowel in welke mate zij verscheidene functies kunnen vervullen als welk prestatieniveau zij bij de vervulling van die functies bereiken, teneinde vast te stellen of hun hoofdfunctie erin bestaat om in een automatisch gegevensverwerkend systeem te worden gebruikt. In dit verband moet bijzonder belang worden toegekend aan de vraag of zij zijn ontworpen voor werk op korte afstand. Het is daarbij niet van belang of de gebruiker van het beeldscherm en de persoon die gegevens in de automatische gegevensverwerkende machine bewerkt en/of invoert dezelfde is.”
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.

2.Nadere beoordeling van de middelen

2.1.
Het Hof heeft de beeldschermen ingedeeld als ‘andere monitoren’ als bedoeld in postonderverdeling 8528 59 40 van de GN omdat zij evident niet zijn ontworpen voor werk op korte afstand maar als informatieschermen (displays) die bestemd zijn om te worden gebruikt in openbare ruimtes. Daardoor ontbreekt, aldus het Hof, enige interactie tussen de gebruiker (lezer) van de monitor en de gebruiker van de automatische gegevensverwerkende machine.
2.2.1.
Uit het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie volgt in de eerste plaats dat monitoren niet mogen worden uitgesloten van indeling in postonderverdeling 8528 51 00 van de GN om de reden dat zij niet zijn ontworpen om te worden gebruikt door de persoon die gegevens moet invoeren en bewerken in de op die monitoren aangesloten automatische gegevensverwerkende machine. Wie een monitor gebruikt, vormt geen kenmerk of objectieve eigenschap ervan. Het Hof heeft dit miskend door betekenis toe te kennen aan het ontbreken van interactie tussen de gebruiker van de monitor en de gebruiker van de automatische gegevensverwerkende machine.
2.2.2.
Verder volgt uit het arrest van het Hof van Justitie dat geschiktheid voor werk op korte afstand geen absoluut vereiste is om te kunnen aannemen dat een monitor is ontworpen om uitsluitend of hoofdzakelijk te worden gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem. Door in zijn hiervoor in 2.1 weergegeven oordeel uitsluitend aandacht te besteden aan de (on)geschiktheid voor werk op korte afstand, en geen kenbare afweging te maken met andere kenmerken van de monitor, heeft het Hof dit miskend dan wel zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd.
2.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, slagen de middelen in zoverre. De overige in de middelen begrepen klachten zijn al verworpen in het hiervoor in onderdeel 1 bedoelde arrest van de Hoge Raad van 20 april 2018. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof moet in overeenstemming met de verklaring voor recht van het Hof van Justitie aan de hand van alle objectieve kenmerken en eigenschappen van de beeldschermen bepalen of hun hoofdfunctie erin bestaat om in een automatisch gegevensverwerkend systeem te worden gebruikt.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- wijst het geding terug naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 503, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.920 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2019.