ECLI:NL:HR:2019:1251

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juli 2019
Publicatiedatum
18 juli 2019
Zaaknummer
18/03377
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen omzetbelasting 2010-2013

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was geconfronteerd met naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013, inclusief boetebeschikkingen en heffingsrente. Tegen deze aanslagen was bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de Rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank wees het beroep af, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit hof bevestigde het oordeel van de rechtbank.

Vervolgens richtte belanghebbende zich tot de Hoge Raad met een beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld en geoordeeld dat de klacht niet leidt tot cassatie, aangezien er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

De Hoge Raad zag geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in stand en zijn de naheffingsaanslagen, boetes en heffingsrente definitief bevestigd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen omzetbelasting blijven in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer18/03377
Datum19 juli 2019
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 26 juni 2018, nrs. 17/00704, 17/00705 en 17/00706, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 16/2668, LEE 16/2669 en LEE 16/2670) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2010 tot en met 2013 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een klacht aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klacht

De klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2019.