Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
10 september 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak over BTW-fraude door fictieve leveringen van pannensets aan afnemers in Spanje en Italië. Verdachte werd onder meer verdacht van feitelijke leiding geven aan vals opmaken van facturen en vervoersbescheiden, opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting, medeplegen gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel niet leidt tot cassatie omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat. Wel constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden doordat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze van twaalf maanden tot elf maanden en een week. Het beroep wordt voor het overige verworpen, waarmee de inhoudelijke veroordeling in stand blijft.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot elf maanden en een week wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep werd verder verworpen.