Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beslissing
10 september 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak over BTW-fraude door fictieve leveringen van pannensets aan afnemers in Spanje en Italië. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van vals opmaken van facturen en vervoersbescheiden, medeplegen van gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie.
De Hoge Raad beoordeelde meerdere middelen van cassatie, waaronder bewijs- en procesrechtelijke klachten, maar verwierp deze omdat zij geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde.
Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde taakstraf van 210 uren naar 189 uren, met een subsidiaire vervangende hechtenis van 94 dagen. Het overige cassatieberoep werd verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 10 september 2019.
Uitkomst: Vermindering van taakstraf naar 189 uren en vervangende hechtenis naar 94 dagen wegens overschrijding redelijke termijn.