Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
29 januari 2019.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, maar heeft niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Hoge Raad beoordeelde dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd, waardoor de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen. Er is geen inhoudelijke behandeling van het cassatieberoep geweest vanwege het ontbreken van middelen.
Op 29 januari 2019 heeft de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.