Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
17 september 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2003. De kern van het geschil is de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Volgens de stukken is het beroep ingesteld op 15 mei 2018, terwijl de mededeling van de uitspraak van het hof aan verdachte persoonlijk op 26 oktober 2007 is betekend.
De Hoge Raad beoordeelt of het beroep tijdig is ingesteld conform artikel 432 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering, in samenhang met artikel 366 en Pro artikel 415 Sv Pro. Omdat het beroep niet binnen veertien dagen na betekening van de uitspraak is ingesteld, is het beroep niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad volgt de conclusie van de Advocaat-Generaal en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee wordt het arrest van het hof in stand gelaten. De beslissing is genomen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 17 september 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.