ECLI:NL:HR:2019:1355

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2019
Publicatiedatum
17 september 2019
Zaaknummer
18/03024
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225.1 SrArt. 432.2 SvArt. 366 SvArt. 415 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding termijn na betekening hofuitspraak

De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2003. De kern van het geschil is de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Volgens de stukken is het beroep ingesteld op 15 mei 2018, terwijl de mededeling van de uitspraak van het hof aan verdachte persoonlijk op 26 oktober 2007 is betekend.

De Hoge Raad beoordeelt of het beroep tijdig is ingesteld conform artikel 432 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering, in samenhang met artikel 366 en Pro artikel 415 Sv Pro. Omdat het beroep niet binnen veertien dagen na betekening van de uitspraak is ingesteld, is het beroep niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad volgt de conclusie van de Advocaat-Generaal en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee wordt het arrest van het hof in stand gelaten. De beslissing is genomen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 17 september 2019.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/03024
Datum17 september 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 juni 2003, nummer 23/003278-01, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Blijkens de stukken is het beroep in cassatie ingesteld op 15 mei 2018, zodat de verdachte - nu hem in ieder geval op de voet van art. 366 in Pro verbinding met art. 415 Sv Pro op 26 oktober 2007 in persoon de mededeling van de uitspraak van het Hof is betekend en het beroep niet binnen veertien dagen na betekening van deze mededeling is ingesteld - in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 september 2019.