Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
17 september 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk uitgeven van valse bankbiljetten van vijftig euro, gepleegd op 18 oktober 2016 te Rotterdam. Het bewijs berustte onder meer op verklaringen van de verdachte en haar medeverdachte, die een LAT-relatie hadden en samen een kind. Beide zouden onafhankelijk van elkaar op de markt zijn geweest en met hetzelfde vals biljet in dezelfde winkel hebben betaald.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van nauwe en bewuste samenwerking en dat de verdachte geen wetenschap had van de valsheid van het geld. Het Hof achtte de verklaringen van verdachte en medeverdachte deels ongeloofwaardig, maar gebruikte deze toch als bewijsmiddelen. Dit vormde de kern van het cassatiemiddel.
De Hoge Raad herhaalde de vereisten voor bewijsmotivering: feiten die redengevend zijn voor de bewezenverklaring moeten in de bewijsmiddelen zijn vervat. Het Hof had ten onrechte deels ongeloofwaardige verklaringen als bewijsmiddelen opgenomen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het zijn oordeel betreft en verwees de zaak terug naar het Hof Den Haag voor een nieuwe berechting.
De overige middelen werden niet behandeld vanwege de vernietiging en terugwijzing. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 17 september 2019.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onjuiste bewijsmotivering en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.