Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
17 september 2019.
Hoge Raad
De aanvrager is door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld voor poging diefstal door middel van braak bij een bedrijf. Hij kreeg een taakstraf van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaar.
De aanvrager verzocht om herziening van dit vonnis op grond van een verklaring van zijn ex-vrouw dat hij tijdens de inbraakperiode bij haar thuis sliep. De Hoge Raad beoordeelde deze verklaring in samenhang met het bestaande bewijsmateriaal, waaronder camerabeelden waarop de aanvrager werd herkend bij het afplakken van bewegingsmelders en de grote gelijkenis met de persoon op de screenshots.
De Hoge Raad concludeerde dat de verklaring van de ex-vrouw te globaal was en onvoldoende ernstig vermoeden wekte dat het hof tot vrijspraak zou zijn gekomen als het hiervan op de hoogte was geweest. Daarom werd het verzoek tot herziening afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onvoldoende ernstig vermoeden voor vrijspraak.