Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel voor het overige
4.Beoordeling van het vierde, het vijfde en het zesde middel
5.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
In deze economische strafzaak stond het zonder vergunning uitvoeren van werkzaamheden met bedrijfsafvalstoffen centraal, waarbij valsheid in geschrift werd bewezen verklaard door het gebruik van valse begeleidingsbrieven met onjuist afvalstroomnummer.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de rechtspersoon (medeverdachte 1) opzet had gericht op de valsheid van de begeleidingsbrieven. Het enkele feit dat de rechtspersoon verantwoordelijk is voor het naleven van wet- en regelgeving is volgens de Hoge Raad onvoldoende om dit opzet aan te nemen.
De bewijsvoering bestond uit diverse processen-verbaal, verklaringen van getuigen en verdachte, en vond plaats tegen de achtergrond van complexe milieuregelgeving omtrent afvalstroomnummers.
De Hoge Raad vernietigde daarom het gedeelte van het arrest dat de valsheid in geschrift betrof en de strafoplegging, en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt gedeeltelijk vernietigd wegens onvoldoende motivering van het opzet en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.