ECLI:NL:HR:2019:1365

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2019
Publicatiedatum
17 september 2019
Zaaknummer
18/00014
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1.1.c Wet milieubeheerArt. 2.1.1.e.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrechtArt. 6 EVRMArt. 81.1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in milieuzaken

In deze zaak stond de verdachte, een rechtspersoon gevestigd te Dordrecht, terecht voor het zonder vergunning uitvoeren van werkzaamheden met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen en het in werking hebben van een inrichting voor het repareren van schepen voor de beroepsvaart en anders dan pleziervaartuigen. Het Gerechtshof Den Haag had de verdachte veroordeeld en een geldboete van €100.000 opgelegd.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de hoogte van de geldboete, en stelde voor deze te verminderen naar een gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep en oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden.

Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot daarom de opgelegde geldboete te verminderen van €100.000 naar €97.500. Voor het overige werd het beroep verworpen. Dit arrest werd uitgesproken op 8 oktober 2019 door de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De geldboete wordt verminderd van €100.000 naar €97.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/00014
Datum8 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, Economische Kamer, van 4 december 2017, nummer 22/001769-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
gevestigd te Dordrecht,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en I.N. Weski, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 100.000,-.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 97.500,- bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 oktober 2019.