Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag over witwassen van geldbedragen door een rechtspersoon in verband met illegale werkzaamheden met bedrijfsafvalstoffen. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €100.000.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging leiden, behalve het middel dat klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Dit middel wordt gegrond verklaard omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden, wat een schending van art. 6 EVRM Pro inhoudt.
Als gevolg daarvan vernietigt de Hoge Raad het arrest uitsluitend wat betreft de hoogte van de geldboete en vermindert deze naar €97.500. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige procedurele afwikkeling en een zorgvuldige strafmotivering.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd van €100.000 naar €97.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.