ECLI:NL:HR:2019:1382
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in belastingzaak over dwangsom en onverschuldigde betaling
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat op zijn beurt het hoger beroep behandelde tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland. De zaak betreft een beschikking op grond van artikel 24, lid 8, van de Invorderingswet 1990, een verzoek om toekenning van een dwangsom en een vordering wegens onverschuldigde betaling.
De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, was geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Het arrest is gewezen door raadsheer Wortel als voorzitter, met de raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de beschikking van de Staatssecretaris blijft in stand.