In deze zaak betrof het een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De indiener van het beroep in cassatie werd door de griffier van de Hoge Raad bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen een termijn van vier weken. Deze brief werd afgeleverd op het opgegeven adres.
Ondanks deze kennisgeving werd het griffierecht niet voldaan. Vervolgens ontving de indiener een tweede aangetekende brief waarin gelegenheid werd geboden om te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was betaald. Ook op deze gelegenheid werd geen gebruik gemaakt.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 20 september 2019.