ECLI:NL:HR:2019:1402

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2019
Publicatiedatum
19 september 2019
Zaaknummer
18/01960
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over naheffingsaanslagen omzetbelasting en boeteschikkingen

In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil betreft naheffingsaanslagen omzetbelasting en de daarbij behorende boeteschikkingen en heffingsrente over de jaren 2008 tot en met 2012 opgelegd aan belanghebbende.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geconcludeerd dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie is geen nadere motivering vereist omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens wordt een griffierecht van € 508 geheven van de Staatssecretaris. Het arrest is uitgesproken door de derde kamer van de Hoge Raad op 20 september 2019.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de proceskosten worden aan de Staatssecretaris opgelegd.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 18/01960
20 september 2019
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 27 maart 2018, nrs. 16/01256 tot en met 16/01258, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 14/4378 tot en met LEE 14/4380) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2008, over de jaren 2009 tot en met 2011, en over het jaar 2012 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boeteschikkingen, de bij de over het jaar 2008 en de over de jaren 2009 tot en met 2011 opgelegde naheffingsaanslagen gegeven beschikkingen heffingsrente en de bij de over het jaar 2012 opgelegde naheffingsaanslag gegeven beschikking belastingrente.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2019.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 508.