Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:1413

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2019
Publicatiedatum
23 september 2019
Zaaknummer
17/02915
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 588a SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt adresopgave politie niet gelijk aan adres voor dagvaarding bij verstek

In deze strafzaak stond de vraag centraal of het logeeradres dat verdachte bij de politie had opgegeven, ook moest worden aangemerkt als het adres waar een dagvaarding of oproeping voor een terechtzitting moest worden verzonden. De verdachte had verklaard dat hij woonde in een pension op het adres van zijn neef, maar bij gebrek aan plaats in het pension verbleef hij bij die neef thuis op een ander adres.

Het hof had geoordeeld dat het thuisadres van de neef niet als een adresopgave in de zin van artikel 588a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering kon worden aangemerkt. Dit oordeel werd door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk of onjuist bevonden.

Het cassatieberoep van de verdachte tegen het verstekvonnis werd verworpen omdat niet was gebleken dat de oproeping naar het logeeradres was verzonden. De Hoge Raad bevestigde hiermee dat het enkel bij de politie opgegeven logeeradres niet automatisch het adres is voor het verzenden van dagvaardingen of oproepingen.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte adresopgaven voor de rechtsgang en bevestigt de rechtspraak omtrent de toepassing van artikel 588a Sv. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 24 september 2019.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het verstekvonnis omdat het logeeradres niet als adresopgave in de zin van artikel 588a Sv geldt.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/02915
Datum24 september 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 december 2015, nummer 20/002011-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast voorkomt.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1
Het middel klaagt over de beslissing van het Hof tot het verlenen van verstek tegen de niet verschenen verdachte en voert daartoe aan dat niet blijkt dat een afschrift van de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2015 is verzonden naar het door de verdachte bij de politie opgegeven adres [b-straat 1] te Eindhoven.
2.2
De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. In de conclusie van de Advocaat-Generaal is onder 2.2 de inhoud van een aantal van de aan de Hoge Raad gezonden stukken weergegeven. Uit die stukken kan worden afgeleid dat de verdachte bij zijn eerste verhoor in deze zaak heeft verklaard te wonen in een pension van zijn neef op het adres [a-straat 1] te Eindhoven, maar dat hij, als in het pension geen plaats is, bij die neef thuis verblijft op het adres [b-straat 1] te Eindhoven.
2.3
In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het Hof besloten dat het adres [b-straat 1] te Eindhoven niet behoefde te worden aangemerkt als een opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef en onder a, Sv waaraan een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de (nadere) terechtzitting te verschijnen kon worden gezonden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
2.4
Het middel faalt.

3.Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 september 2019.