Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
24 september 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van het kraken van een leegstaand bedrijfspand in Amsterdam. Verdachte voerde onder meer aan dat hij niet wederrechtelijk in het pand verbleef omdat hij slechts op bezoek was. Tevens stelde hij dat het hof had moeten onderzoeken of de geleden schade al door een verzekeraar was vergoed. Daarnaast werd overschrijding van de redelijke termijn aangevoerd.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verwierp het beroep dan ook zonder inhoudelijke beantwoording van de aangevoerde gronden.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Buruma en van Strien. De uitspraak bevestigt daarmee het oordeel van het hof en de veroordeling van verdachte voor medeplegen van kraken van het pand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor medeplegen van kraken.