Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
Voorafgaand aan de terechtzitting geschiedt de voeging door, kort gezegd, indiening van een ingevuld voegingsformulier bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast. Ter terechtzitting geschiedt de voeging door indiening van een voegingsformulier of mondelinge opgave van de vordering tot schadevergoeding bij de rechter, uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig art. 311 Sv Pro het woord te voeren (art. 51b, eerste en tweede lid (oud), Sv, thans art. 51g, eerste en derde lid, Sv). In hoger beroep is voeging mogelijk indien de benadeelde partij zich overeenkomstig de voorgaande voorschriften in eerste aanleg heeft gevoegd (art. 421, eerste lid, Sv). Indien overeenkomstig deze voorschriften sprake is van een rechtsgeldige voeging als benadeelde partij, geldt deze voeging als het ‘instellen van een eis’ als bedoeld in art. 3:316, eerste lid, BW, waardoor de verjaring van de vordering van de benadeelde partij wordt gestuit (vgl. HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8780 met betrekking tot de voeging die geldt als het instellen van een ‘eis in de hoofdzaak’ als bedoeld in art. 700, derde lid, Rv).
3.Beslissing
1 oktober 2019.