Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 14 april 2017, waarin de verdachte werd veroordeeld voor gekwalificeerde diefstal in vereniging en het voorhanden hebben van een busje pepperspray. De verdachte stelde een middel van cassatie in, gericht op de beoordeling van medeplegen en de bewijsvoering.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en adviseerde vermindering van deze straf. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.
Daarnaast stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de strafduur met vier maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en stelde deze vast op drie maanden en drie weken gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 1 oktober 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot drie maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.